Daar ging hij: op zijn nieuwe ‘grotemensen’ fiets in zijn eentje naar Amsterdam. Even de route naar zijn middelbare school nog een keer fietsen. Eén keer pas, had hij hem gefietst. Samen met zijn vader. En nu wilde hij alleen. En daar stond ik. Met mijn gedachten. En dat waren er nogal wat:  ‘Neem je mobiel maar mee, zodat je de weg kan opzoeken als je die niet meer weet?’ ‘Of om ons te bellen, als je een lekke band hebt’. ‘En dan is wat geld ook wel handig’. En: ‘Misschien is je jas ook wel een goed idee, want er staat wind’. En: ‘Neem wat water mee, want van zo’n lange rit heen en weer krijg je dorst’.

Behoeden

Bezorgdheid, dat voelde ik. ‘Komt het wel goed?’. ‘Kan mijn kind dit al wel alleen na één keer?’. Ik wilde hem beschermen tegen de grote, wijde wereld die -onder onze vleugels vandaan- op hem lag te wachten. Want ik gun mijn kind alleen maar geluk en wil hem behoeden voor gevaar en problemen. Wie wil dat nu niet?

Dus probeerde ik zoveel mogelijk:

  • problemen te voorkomen, zoals ‘neem je mobiel maar mee?’ (of ‘vergeet je gymspullen niet’)
  • van te voren een oplossing aan te dragen, zoals ‘misschien is je jas een goed idee, want er staat wind buiten’

En dan heb je ook nog de variant dat je als ouder probleem én oplossing overneemt: ‘ik zal wel even met dat kindje, de juf, die moeder, de trainer gaan praten’.

Afhankelijk

Ik wilde mijn kind dus beschermen door hem te helpen. En toch wist ik: dit is niet ‘helpen’. Want verpakt in die goedbedoelde opmerkingen hoort je kind een andere boodschap:

 

Vertrouwen

Eigenlijk zou ik dus indirect tegen mijn kind gezegd hebben, dat ik hem niet vertrouw. Hoe had hij dan nog op zichzelf kunnen vertrouwen?! Terwijl hij daar blij en zelfverzekerd voor mij stond. Ik zou hem afhankelijk gemaakt hebben van mij en mijn oplossingen, terwijl er legio andere oplossingen zijn die voor hem veel fijner zouden kunnen voelen (een stukje lopen bij een lekke band, wat harder doortrappen zodat je het niet meer koud hebt).

Gunnen

En ik zou hem problemen hebben aangepraat, die waarschijnlijk niets eens zouden optreden (want waarom zou hij alleen willen gaan, als hij dacht de weg niet te weten? En hoe groot is de kans op een lekke band met een gloednieuwe fiets? En hoe vaak hebben kinderen het net zo koud als volwassenen?). Kortom, ik zou hem zijn vreugde, zelfstandigheid en zelfvertrouwen hebben ontnomen. Ik zou precies dat van hem hebben afgenomen wat we als ouders onze kinderen het meest gunnen!

Verdragen

Wat maakt dat we als ouders dan toch die neiging hebben?
Omdat het zo ontzettend moeilijk te verdragen is, te merken dat je kind het soms even niet meer weet, verdrietig of angstig is of hulp nodig heeft. Dat voelt naar. Voor je kind is het vaak veel minder erg. Want je kind is in zijn of haar leven al in zoveel situaties geweest waarbij hij een oplossing zonder jou heeft bedacht. Denk maar aan de kinderopvang / BSO, op school, bij vriendjes, bij familie, op straat, op de (sport)vereniging. Allemaal toen jij niet keek of jij er niet was. En toen wist je kind zich prima te redden. Of leerde je kind zich te redden. Zo ook mijn kind. Dus eigenlijk ging de drang om te behoeden en beschermen niet om mijn kind, maar om een gevoel van mijzelf.

Dus keek ik naar mijn kind die met zijn grote fiets de tuin uitliep. En zei helemaal niets. Slikte alles in en zwaaide hem uit. Ik hielp hem door niets te zeggen. Waardoor hij zijn zelfgecreëerde kans kon pakken om zijn zelfvertrouwen en onafhankelijkheid te laten groeien.

En die van mij 😉.

 

      leonie